Berichten uit het spiegelpaleis

Berichten uit het spiegelpaleis
aantekeningen over mijn verblijf in De Wolkerstuin

Net over de Utrechtsebrug, ingeklemd tussen de Amstel, de A2 en de A10, ligt tuinpark Amstelglorie, met 440 tuinen verspreid over 21 hectare grond het grootste volkstuinencomplex van Amsterdam. Jan Wolkers had samen met Karina van december 1972 tot maart 1981 een volkstuin op het terrein, die zij in de loop der jaren omtoverden tot hun eigen Hof van Eden.

Dankzij de voortvarende aanpak van een werkgroep en vele vrijwilligers werd het oude tuinhuis prachtig opgeknapt en met respect voor de culturele waarde ervan en in de geest van Jan opnieuw aangekleed en ingericht. Wat meteen opvalt: de vergeet-me-nietjes-blauwe betonnen vloer, het eveneens blauwe plafond, de iconische foto’s en de spiegelwand die Jan ook in het oorspronkelijke huisje had. ‘Ik bekleedde de binnenkant van het houten tuinhuisje met spiegelglas, zodat je je volkomen gedesoriënteerd in begeesterde verbazing in een spiegelland waande, zelfs als je midden in de tuin was en de ruigte van de hop in je haren klitte. Voor degenen die de natuur zonder stoffering nogal saai vinden moet ik bekennen dat als de spiegels de beelden hadden vastgehouden die er zich van tijd tot tijd in weerspiegelden, dat simpele optrekje de taferelen uit de cultus der Dionysische Mysteriën, uit de villa te Pompeji, naar de kroon hadden gestoken’, luidt één van zijn vele dagboekaantekeningen over Amstelglorie die Onno Blom naast de vuistdikke biografie over Wolkers, in 2018 publiceerde.
Als spiegels konden praten…

Sinds de officiële opening van De Wolkerstuin in mei 2018 kunnen schrijvers een aanvraag indienen voor een schrijfverblijf tussen april en september op deze weelderig groene plek. Ik ben een van de gelukkigen en mij valt de periode 13-30 april ten deel. Op die zaterdag de 13e arriveer ik en word wegwijs gemaakt door vrijwilliger Tineke. Het huisje is geweldig: op 28 vierkante meter, groter mogen de behuizingen op het park niet zijn, vind ik alles wat ik nodig heb de komende weken. Aan dezelfde plek aan het raam waar Jan destijds op een doormidden gezaagde pingpongtafel (die als schrijftafel diende) aan zijn oeuvre werkte, mag ik ruim twee weken plaatsnemen aan een kamerbreed bureau dat zicht biedt op vijftig tinten groen.

De natuur drukt zich op uit de grond, uit de takken. April, en zienderogen groeit de tuin. Er is veel geluid hier, niet alleen van de eenden en vogels, maar ook het verkeer raast dag én nacht door, de metro reutelt regelmatig langs en om de haverklap komt er een vliegtuig over. ’s Nachts trekt de kou op, het vriest aan de grond, en ik ben blij dat de vorige bewoonster, de kleindochter van Jan Wolkers, een gloednieuwe kruik heeft achtergelaten. Het bed slaapt heerlijk, maar om 4.00 uur ’s nachts schrik ik wakker van de stilte. Of was het een geluid? Er klinkt een knerpen van schelpenzand en een geritsel vlakbij, mijn dichterlijke fantasie hoort zelfs iemand ademen aan de andere kant van het raam. Ik besluit mijn angst te omarmen; er wordt wel eens ingebroken op het terrein, met name in de stille wintermaanden, maar op de een of andere manier voel ik me gerustgesteld door de spirit van Jan Wolkers, ‘beschermheer van Amstelglorie’.

Maandagochtend. Vertaalster/publicist Kiki, lid van de Wolkerstuinwerkgroep, komt op de thee. Fijn om te weten dat er mensen in de buurt zijn; ze heeft een eigen huisje vlakbij en vertelt enthousiast over het project waar ze aan werkt, terwijl we op het terras in de zon alle muizenissen van de vorige nacht weglachen. Ook Florence, dichter/schrijver en initiatiefneemster van de Wolkerstuin, komt langs, wandelt met me door het park, vertelt over de hechte Amstelgloriaanse gemeenschap en het gesteggel met de gemeente Amsterdam om het complex uit de klauwen van projectontwikkelaars te houden, wijst het logeerhuis aan, attendeert me op eetbare planten en vertelt me bij wie ik moet zijn als ik onverwacht hulp nodig heb. Ze maakt een foto van tere bleekroze bloempjes langs het tuinpad, die zo klein zijn dat alleen een echte natuurliefhebber of een dichter ze waarneemt. ‘Snoezig’, zegt ze. ‘Jan heeft ze destijds hier geplant en meeverhuisd naar Texel. Een tijd geleden mocht ik van Karina uit hun tuin op het Waddeneiland wat stekjes halen om in de Wolkerstuin terug te planten. Mooi dat ze opnieuw aanslaan!’ Het zijn Elfenbloempjes, of Epimedium. Feeëriek, net als Amstelglorie in het avondlicht.

‘s Avonds staat de Notre-Dame in lichterlaaie. Hoe triest, en hoe symbolisch ook, hellevuur in Gods huis. Ik maak een wandeling in het late licht door het park; voor de meesten is het ’s nachts nog te koud om te blijven slapen; de huisjes staan leeg. Gek idee dat er over enkele weken weer een en al bedrijvigheid heerst, het geluid van grasmaaiers en heggenscharen klinkt, kindergejoel in de nu verlaten speeltuin.

Werkritme: om 7 uur op, koffie, buiten ontbijten, computer aan, schrijven. Ik moet een beetje inkomen, in mijn verhaal komen, dat zich op verschillende plekken en in verschillende periodes afspeelt, in Polen, Duitsland, Noorwegen en Syrië. Tussendoor lees ik in de biografie over Wolkers van Onno Blom en in het daarvan afgeleide dagboek van Jan over Amstelglorie. Nu ik hier een paar dagen ben, herken ik zoveel over wat hij schrijft. Wat heeft de tuin een grote rol in zijn leven en dat van Karina gespeeld! Af en toe praat ik met hem en zie hem in zijn blote kont door het huisje lopen; wat zou hij ervan vinden dat hier tussen april en september allerlei schrijvers en dichters in zijn tuinhuis verblijven, aan zijn werkplek aan het raam zitten?

De dagen worden langer en warmer, er is een heerlijk Paasweekend met zomerse temperaturen voorspeld. Er komt elke dag wel bezoek, op de koffie of voor het avondeten. Iedereen is vereerd om even op deze bijzondere plek te mogen vertoeven. Terwijl Ajax van de Oude Dame wint en Amsterdam feest viert, is het – als ik mijn bezoek ’s avonds naar de poort heb gebracht, deze op slot heb gedraaid en terugloop – weer doodstil op het park.

Op woensdag wil ik naar het gratis lunchconcert in het Concertgebouw. Op een van de fietsen die bij het huisje horen ben ik er al binnen een kwartier. Er staat een enorm lange rij wachtenden voor de kassa, maar als die eenmaal geopend is, gaat het snel. Ik heb de pech naast een man plaats te nemen die geen seconde stil kan zitten. Hij frummelt luidruchtig met zijn ticket en het programmablad, schuift onrustig heen en weer. Perst met zijn gecupte handen zijn knieën uit, alsof het halve sinaasappels zijn. Dat doet me denken aan Marieke Lucas Rijneveld, die in het openingsgedicht ‘Als het je overkomt’ in haar debuut Kalfsvlies een soortgelijk beeld heeft. Haar bundel staat op de boekenplank in het Wolkershuisje, waar niet alleen het hele oeuvre van Wolkers te vinden is, maar ook werk van mijn voorgangers, schrijvers en dichters die vorig jaar in het Wolkershuisje verbleven. De goede zoon van Rob van Essen staat er ook tussen, onwetend nog van de terechte waardering die de roman bij de Libris-uitreiking ten deel zal vallen. Bij vertrek zal ik De camembertmethode in het illustere rijtje plaatsen.
Die man dus, komt steeds een stukje omhoog uit zijn stoel en haalt me volledig uit mijn betovering van het mooie programma: studenten van de Sweelinck Academie die stukken spelen van Bruch, Tsjaikovski, Grieg en Paganini. Na een kwartier hou ik het niet meer en wil hem aanspreken, maar op dat moment kijkt hij me enthousiast aan en zegt: ‘Mooi hè?’ Pas dan bedenk ik dat hij misschien Tourette heeft, of autistisch is, of last heeft van andere zaken die het spannend voor hem maken in zo’n grote zaal vol mensen te zitten en ik zeg: ‘Ja, prachtig.’

Op de weg terug zie ik op de hoek Johannes Verhulststraat/Emmastraat in Oud-Zuid in ouderwetse belettering Albert Heijn op de gevel. ‘De één-na-kleinste van Nederland’, zegt de vakkenvuller trots, ‘de kleinste staat in Naarden Vesting.’  Ik wurm me door de smalle gangetjes, te klein voor winkelwagentjes, naar de broodafdeling, waar ik recht in de fraaie tronie van Gijs Scholten van Aschat kijk. We zijn de enige twee klanten in de winkel. Met pet en sneakers is hij vandaag een figurant in zijn eigen leven.
Daarna ga ik even langs bij My Bookstore vlakbij Amstelglorie op de Spaklerweg, waar ik a.s. zaterdagmiddag een poëzieworkshop ga geven. Maak kennis met Richard Nagel, de manager, en social media specialist Charly. My Bookstore zal in de toekomst vaker samenwerken met De Wolkerstuin en schrijvers uitnodigen bij hen te komen lezen, een workshop of andere literaire activiteit te organiseren. Een mooie manier om Amstelglorianen en buurtbewoners kennis te laten maken met de gastschrijvers en hun werk.

De eenden zwemmen dagelijks met hun kroost langs in de sloot achter het huisje. Komt een vreemde eend, meerkoet of waterhoen te dichtbij, dan jaagt de woerd hem met groot vertoon van wiekende vleugels weg. Snaterend. Gek woord eigenlijk, snateren, bijna een onomatopee. In de avond is het weer uitgestorven op het park, er wordt nauwelijks gesnaterd, alle mensen die vandaag hun tuinen hebben gespit, gewied, nieuwe plantjes erin gezet, het dak gerepareerd, terrasjes hebben aangelegd, met potgrond hebben gesjouwd en flink verbrand zijn, zijn terug naar huis gegaan. Velen wonen vlakbij.

De workshop poëzie schrijven in MyBookStore, als tegenprestatie voor mijn verblijf op Amstelglorie, wordt op de zonnige zaterdag voor Pasen slechts door een handvol deelnemers  bezocht. Toch zorgt dit kleine aantal ervoor dat de sfeer intiem en betrokken is, en we gaan na een voorstel- en associatierondje meteen aan de slag met allerlei schrijfoefeningen, een stiftgedicht en een ‘verknipt’ gedicht herschrijven. Tussendoor praten we over schrijven en poëzie. De twee uur vliegen voorbij; aan de laatste oefening komen we niet eens meer toe, maar iedereen gaat met een goed gevoel en een nieuw gedicht – met een takje tijm uit Wolkers’ tuin – geplakt op een servetje naar huis.

Op Paaszondag eet ik een gekookt ei, maak een foto van het beeld in de tuin en stuur het met een paasgroet de wereld in. Ik praat wat tegen de eendenfamilie die in de sloot achter het huis met hun tot drie kuikens geslonken kinderschare voorbijdobbert, schrijf aan mijn roman en dagboek en loop naar de bijenkasten verderop op het terrein waar ik de afgelopen week vaker een imker aan het werk heb gezien. Een van mijn personages is hobby-imker en ik wil wat informatie inwinnen over het houden van bijen. Bij de poort tref ik Abe, een oudgediende op Amstelglorie, die me vertelt dat er twee bijenverenigingen op Amstelglorie actief zijn, met verschillende soorten bijenvolkjes. Hij geeft me het telefoonnummer van een van de imkers, Katja. Ik zal haar snel bellen. ’s Middags maak ik een rondje op de fiets langs de Amstel naar Ouderkerk aan de Amstel en langs de andere kant van de rivier weer terug. Er heerst grote bedrijvigheid op en langs het water: talloze bootjes tuffen voorbij, roeiboten van de vele verenigingen die langs de Jan Vroegopsingel hun thuishaven hebben, kanovaarders, sloepjes. Vanaf een bankje aan de oever observeer ik de activiteiten op de gemotoriseerde bootjes: veelal families en vriendengroepen die losjes gedrapeerd aan dek hangen, flesje bier of glaasje rosé in de hand, acteurs zonder tekst in een bewegend decor, de vlag met drie kruisen lusteloos wapperend op deze windluwe dag.

De hele weg tussen Amstelglorie en Ouderkerk zijn honderden vissers in de weer met hun materialen. De mannen, want dat zijn het zonder uitzondering, hebben hun auto’s en busjes in de berm geparkeerd, veelal bedrijfswagens van hoveniers, klusjesmannen, loodgieters, installatie- en elektrobedrijven. Zou er een correlatie bestaan tussen deze ambachtelijke beroepen en de liefde voor vissen? Tegen drieën beginnen ze massaal hun gear in te pakken. Ik sta versteld hoeveel spullen ze bij zich hebben, bewaarbakken, fuiken, hengels in hoezen, en een soort opvouwbare barbecue. Zouden ze op een exquise soort Amstelzalm vissen die ze meteen na vangst roken in die apparaten? Ze werken in koppels en ik spreek een van hen aan om te horen wat toch die grote vreemde stellages zijn. De man lacht en zegt in onvervalst Amsterdams dat het stoelen zijn, die je waterpas kunt stellen, want ik denk toch zeker niet, wijffie, dat hij ’s ochtends een koude kont riskeert, als de kou van de nacht optrekt en het gras nog nat is? Het zijn sportvissers die vandaag een wedstrijd hebben. In de fuiken die nog in het water liggen bewaren ze de vangst van de dag, witvis, baarzen het liefst, want die zijn het zwaarst. De winnaar is degene met de meeste kilo’s op de weegschaal. Er rijdt een dikke auto langs met iemand van het wedstrijdcomité; de buit gaat gewogen worden. De wedstrijd bestaat uit twee delen: volgende week zitten de koppels op andere plekken, zodat er een zo eerlijk mogelijke verdeling van kansen is. Op mijn vraag of er ook vrouwen zijn die meedoen, zegt hij lachend: ‘Veels te weinig!’

’s Avonds bereid ik een eenvoudig maal in mijn keukentje en eet het buiten op. Ik lees tussendoor in de schitterende biografie van Andreas Burnier, pseudoniem van Irma/Ronnie Dessaur, die iemand in de boekenkast van het Wolkershuisje heeft achtergelaten. Het is een vuistdik, fascinerend relaas geschreven door Elisabeth Lockhorn, over deze wetenschapper, criminoloog, feministe, schrijfster/dichter, transgender avant la lettre. Van 1973 tot 1988 was Dessaur hoogleraar criminologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en ik baal er met terugwerkende kracht van dat ik in de jaren 80 – toen ik zelf in Nijmegen studeerde – nog geen weet had van haar bestaan, anders had ik zeker haar spraakmakende lezingen bezocht. Ik verheug me nu elke dag op het moment dat ik na het schrijven verder kan lezen in haar boeiende levensloop (Wolkers zal me deze zijstap vergeven, hoop ik). Ze heeft als Joods meisje in de oorlog op zestien verschillende adressen ondergedoken gezeten, en mijn ogen worden groot als ik lees dat ze ook bij kweker De Groot in Heerde heeft gezeten, familie van een jaren geleden naar de VS geëmigreerde vriendin van mij. Ik maak een foto van de passage en app haar die door. Vrijwel direct laat ze weten dat ze het bericht heeft doorgestuurd naar de verwanten op de Veluwe en een paar dagen later hoor ik dat het heel wat stof heeft doen opwaaien. Het blijkt inderdaad dezelfde familie.

De zomerse dagen rijgen zich aaneen; achter het huis aan de overkant van de sloot zie ik elke dag kinderen boven het groen verschijnen en verdwijnen, verschijnen en verdwijnen. Ze zijn aan het trampolinespringen. Het doet me denken aan die eindeloze zomerse dagen waarop je als kind buiten speelde tot je moeder je in de late schemering binnenriep. Toch het boek Waarom het leven sneller gaat naarmate je ouder wordt van Douwe Draaisma, hoogleraar geschiedenis van de psychologie, weer eens herlezen, want hoewel de dagen traag voorbij gaan, vliegen ze voorbij. Ik leef in een soort tijdsvacuüm. Duik elke dag in mijn verhaal, schrijf aan mijn blog, lees, eet, schrijf, lees, slaap, verschijn en verdwijn in de spiegels van mijn tijdelijke spiegelpaleis.

Vanaf mijn werkplek aan het raam heb ik mooi uitzicht op de tuin. Af en toe beweegt er iets aan de overkant; iemand schuift door het struikgewas, gewapend met snoeischaar, schoffel of spade. Dat beeld van bukkende mensen die met tuingereedschap in de weer door de perken scharrelen, is zo typisch voor de volkstuincultuur op Amstelglorie. Hoewel er geen twee van de 440 tuinen op het complex identiek zijn, evenmin als hun eigenaren, is de liefde voor de natuur een gemeenschappelijke deler. Het complex voorziet in een enorme behoefte van stadsbewoners om een eigen groene plek te hebben. Geen wonder dus dat er zeer actief geageerd wordt tegen elk plan om Amstelglorie tegen de vlakte te gooien en de vastgoedmagnaten de vrije teugel te laten.

Ook voor de vogels is dit stuk land, omgeven en doortrokken van slootjes, een paradijs, een klein Venetië aan de Amstel. Ik ben geen kenner, maar na twee weken zie ik wel hoeveel verschillende soorten door al deze schakeringen groen worden aangetrokken en hoor ik hoe divers hun gezang is. Soms heb ik het geluk om de trage, majestueuze vleugelslag van een laag overvliegende blauwe reiger te aanschouwen. Zijn roep daarentegen klinkt als het onmachtige gekef van een schoothondje, een vervreemdende combinatie.
Het woord zangklok schiet me te binnen als ik op een ochtend al om 5.00 uur wakker word en de eerste vogels zich melden. Verschillende soorten beginnen op verschillende tijden met zingen. Deze opeenvolging van vogelzang heeft een vaste volgorde. De zangklok is het duidelijkst in het voorjaar als de vogels hun territorium afbakenen of een partner willen aantrekken. Ik google ‘zangklok’ en noteer van Wikipedia:
vanaf twee uur voor zonsopkomst: nachtegaal, boomleeuwerik, paapje, veldleeuwerik, gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart, kwartel, grote lijster, merel, fazant, roodborstje, zanglijster en koekoek.
Eén uur voor zonsopkomst: heggenmus, geelgors, winterkoninkje, boompieper, koolmees, staartmees, tuinfluiter, vink, tjiftjaf, boomkruiper en ijsvogel.
Een half uur voor zonsopkomst: pimpelmees, matkop, glanskop, zwartkop, grauwe vliegenvanger, houtduif en groene specht.
Rond en na zonsopkomst: kneu, spreeuw, Vlaamse gaai, grote bonte specht, putter, Europese kanarie, groenling en fluiter. Wat een suggestieve namen! Jan Wolkers vergeleek zijn medemensen geregeld met dieren; zou hij in zijn volkstuincollega’s ook wel eens een matkop, een glanskop, een roodborst, groenling of een pimpelmees hebben gezien?

Herman, de fotograaf, komt langs. Hij maakt auteursportretten van alle schrijvers in het Wolkershuisje. Eigenlijk zou ik het liefst met een bos rabarber in mijn armen gefotografeerd willen worden, naar analogie van de prachtige foto van Karina die aan de muur in het huisje hangt, maar er groeit zo vroeg in het jaar nog niets eetbaars in de tuin. Aangezien Wolkers ook veel met transparantie, reflecties en spiegelingen werkte, vinden we beiden de foto waarbij ik achter het bureau sta, van buiten gefotografeerd door het raam met de tuin erin weerspiegeld, het mooist.

’s Middags heb ik een afspraak met Katja en Tine, twee imkers op Amstelglorie. We drinken eerst thee terwijl ze vertellen over de bijen en vervolgens mag ik in het grootste pak –van imker Paul – mee naar de kasten. Ze beheren twee bijenvolken, hebben vorig jaar wel 80 kilo honing geoogst die verkocht wordt op Amstelglorie. Tine waarschuwt, want het volkje kan behoorlijk agressief zijn, maar ik weet me hermetisch dichtgeritst in mijn pak en beschermd door leren handschoenen en volg hen naar de kasten. Rillingen trekken in golven over mijn rug als we eenmaal omringd zijn door duizenden zoemende bijen; ze botsen tegen het gaas voor mijn gezicht aan en even voelt het alsof er toch een paar onder het net doorgekropen zijn en in mijn pak zitten. Ik weet een lichte paniek te bedwingen en volg Tine en Katja in hun bedaarde, rustige bewegingen. Er wordt weinig gesproken, ze willen de rust van de bijen zo min mogelijk verstoren. Tine licht een kast op en Katja legt snel een meegebrachte theedoek over de bijen die nu ineens aan het daglicht worden blootgesteld. Met een plantensproeier spuit ze water over de theedoek; het houdt de bijen rustig en biedt verkoeling op deze warme dag. ‘We gebruiken deze methode in plaats van de balgberoker met bijentabak die imkers vaak hanteren, omdat dat diervriendelijker is.’ Voorzichtig schuift Katja de theedoek opzij en Tine wrikt met een honingbeitel een bijenraam uit zijn sponning en houdt hem omhoog. Goedkeurend gemompel. ‘Kijk eens hoe mooi,’ wijst Katja. De bijen maken met was uit eigen lichaam de raten, perfect gevormde, zeshoekige cellen, die dienen als broedkamer voor de eitjes die de koningin legt, wel 1200 op een dag. Binnen enkele dagen veranderen de ‘eitjes’ – die de vorm van een rijskorrel hebben – in kleine wormpjes, die binnen drie weken uitgroeien tot bijen. Er stijgt een bedwelmende geur van honing en was op uit de kasten. Het voelt alsof ik op verboden, bijna heilig terrein ben, zo midden tussen de zwermen. Gefascineerd kijk ik naar de handelingen van de imkers, die geroutineerd en liefdevol hun volkje inspecteren. ‘Er wordt wel gezegd dat een bijenvolkje één organisch lichaam is, bestaande uit talloze delen, de bijen, die niets anders doen dan keihard werken, dag en nacht. Allemaal vrouwtjes,’ vertelt Katja ‘En wat doen de mannetjes?’ vraag ik. Ze kijkt me lachend aan door het gaas en zegt: ‘Tja, de mannen, die darren.’
Als ik aan het einde van de middag met een ‘snoeperijtje’, een bakje met verse honing nog in de raat, weer terug ben op mijn tuin zoals de Amstelglorianen het noemen, besef ik dat de tijd vloeibaar als honing is geweest: ik heb ruim twee uur tussen de bijen verkeerd.

Regelmatig kijk ik op vanaf mijn computerscherm en zie op het pad langs de rand van de tuin mensen staan. Sommigen lopen dan wat schutterig door en werpen een voorzichtige blik op het huisje, anderen blijven staan en wijzen. Eén groep is erg luidruchtig en blijft pontificaal staan. Als ik erheen loop, roept een lollige zestiger met Dalí-snor: ‘Hé, wanneer is je boek af?’ De anderen delen zijn vrijpostigheid niet, maar zijn nieuwsgierig genoeg om mijn antwoord af te wachten. Het is een groepje tuin- en literatuurliefhebbers, dat een rondleiding op Amstelglorie krijgt en natuurlijk ook het Wolkershuisje aandoet. Bij het weggaan roept hij nog, ter vergoelijking van zijn directheid: ‘Ik zeg altijd maar zo, een dag niet gelachen is een dag niet geleefd!’

Op één van de laatste dagen zie ik een jeugdige oude man in de tuin staan die de planten inspecteert. Ik weet meteen, dit moet Wim Hemker (83) zijn, de hovenier van Amstelglorie die door Jan Wolkers in zijn dagboek werd beschreven als ‘de man met het aardige Balkanzigeunergezicht’. Als ik me heb voorgesteld, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen: ‘Ik wist niet dat dichters zo gróót konden zijn!’ Hij onderhoudt niet alleen samen met andere tuinders het algemeen groen op het complex, maar heeft ook de Wolkerstuin onder zijn hoede. Hij blijft niet lang, komt alleen even kijken hoe de tuin erbij ligt en wat er binnenkort gedaan moet worden. Trots vertelt hij over zijn twee grote passies: tuinieren en schilderen, aquarellen voornamelijk, en de overeenkomst tussen beide: met kleuren, diepte en contrasten een compositie maken. Uit iets bestaands iets nieuws scheppen.

Ik bedenk – als ik na ruim twee weken mijn koffer weer inpak – dat dat ook is wat Wolkers altijd heeft gedaan, scheppen. Ongeacht of dat nu tuinierend, beeldhouwend, schilderend of schrijvend was. En dat het daarom alleen al fantastisch is dat huidige schrijvers in het tuinhuis van de grote schepper mogen verblijven, in het spiegelpaleis waar buiten binnen is en binnen buiten, waar alles reflecteert, omdat de  begeesterde verbazing waarin je continu verkeert de beste voedingsbodem vormt voor creatie.

Frouke Arns

The river told me

Tot mijn vreugde ontdekte ik dat Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, anderhalf jaar na het verschijnen van
Eigen terrein,
 (mijn bundel met stadsgedichten) de moeite heeft genomen om zijn fijnzinnige gedachten over de bundel te delen. Ook te lezen op Neerlandistiek.nl (28 april 2019)

The river told me

Door Jos Joosten

Ik doe mijn goede voornemen voor 2019 – het spijt me, Wouter Roelants – toch nog steeds een beetje gestand: eerst lezen wat ik heb en dan pas nieuw kopen. Helemáál lukken doet dat niet, maar ik ontdek nu steeds nog dingen die al veel eerder lagen te wachten. Gelukkig is poëzie voor de eeuwigheid, nietwaar? Dus is de pas anderhalf jaar dat Eigen terrein van Frouke Arns verscheen een kruimel.

Eigen terrein bevat de gedichten die Arns schreef als Nijmeegse stadsdichter. Het is nogal een precair genre, dit soort poëzie Op Afroep Te Schrijven Ter Gelegenheid Van Een Gelegenheid. In het ergste geval is het resultaat ongeveer zo spontaan als de festiviteiten tijdens een bezoek van Zijne Majesteit.

Arns’ stadsgedichten had ik (dan ook) zo goed als gemist – en ik ben (dan ook) heel blij verrast met deze bundel. Dit is poëzie die ook een eigen leven ná het stadsgedicht waard blijkt. Arns’ gedichten zijn zelfs zodanig de moeite waard, dat ik me niet stoorde aan de korte tekstjes ter toelichting, die vaak immers de ultieme libidokiller zijn in dichtbundels.

Meteen het openingsgedicht had me te pakken.

Goudvis in de Waal

 

Je ging naar het plein om de keizer te zien.
Het vroor, het was nacht
en je had geen plan.

Je was jong en je leven was als op de rotonde:
zolang je niet afslaat
kun je nog alle kanten op.

Wij bestaan uit water en tijd, zei de keizer.
Zijn woorden vielen als ijsblokjes
gladwit stuiterend op de grond.

Je dacht aan je goudvis, die je als kind in de lente
meenam naar buiten en vergat;
nachtvorst zette hem op pauze – je was ontroostbaar
tot de zon hem ontdooide en hij weer zwom.
Jaren later spoelde je vader hem door naar zijn vrienden
die op hem wachtten in zeeën van tijd.

Je gaat naar de brug om de Waal te zien.
heeft water een leeftijd, het is al zo oud;
zou het iets weten, vraag je de rivier.

En de stad staat blauw van de dag aan haar kade,
een aak duwt traag de ochtend voor zich uit,
aan dek schudt een vrouw uit lakens haar dromen.

Soms denk je nog aan zijn woorden, draaiend van afslag
naar afslag op die kolkende rotonde, en vraag je je af
wat daar zo schittert, in die diepe, donkere onderstroom.

Een gedicht dat met weinig toelichting toe kan, maar dat mét toelichting alleen maar boeiender wordt. En dat begint al met de titel: die klopt strikt genomen natuurlijk niet. Het gaat over een goudvis én over de Waal (alleen als je het in plat-Nimweegs zou uitspreken, staat er goudvis en de Waal). Er komen zo twee motieven uit het gedicht samen in de titel die een onweerstaanbare mede-betekenis ondersteunen: als een vis in het water.

Het gedicht staat open naar alle kanten: natuurlijk is er de evidente verwijzing naar Nijhoffs Bommel-gedicht. Maar ook ‘Yes the river knows’ van The Doors lijkt hier mee te klinken. En – is het bewust of onbewust? – de setting is natuurlijk die van een cruciale scène uit het leven van Albert Egberts uit A.F.Th. van der Heijdens Vallende ouders: alvorens met zijn bestelbusje naar Amsterdam te verhuizen, rijdt Egberts zijn eindeloze symbolische rondjes op hetzelfde Keizer Karelplein (met uiteindelijk diametraal tegenovergestelde symboliek: Egberts verruilt Nijmegen, waar de rivier langs stroomt, voor Amsterdam waar het water tot in alle aders van de stad komt).

Het mooiste vind ik de drie slotterzinen. In de eerste de wijziging ten opzichte van Nijhoff: die ging naar Bommel om de brug te zien. Arns keert het om: die gaat naar de brug om de Waal te zien. Frappant is nog dat Nijhoff vanuit een ‘ik’ schrijft, terwijl Arns de ‘je’ hanteert die de status van sprekende persoon wat ambivalenter maakt.

‘De stad staat blauw van de dag aan haar kade’ is, denk ik, de mooiste regel uit dit gedicht, met daarna dat schip dat de ochtend voor zich uitduwt. En op dat schip de hedendaagse variant van Nijhoffs psalmenzingende moeder: de vrouw die dromen uit haar lakens schudt. En er is meer moois in dit gedicht, zoals de chiastische tegenstelling tussen het bevroren, stilstaande water waar de goudvis levend uitkomt versus de dode goudvis die in het stromende water verdwijnt.

Erg mooi dit, met die diepe, donkere onderstroom.

 

Biblion recensie

Amy Winehouse als onderwerp van een Nederlands gedicht? Frouke Arns bewijst in haar gedichtenbundel ‘De camembertmethode’ dat dat een prachtig gedicht kan opleveren. Arns heeft haar wortels in Nijmegen, maar deze bundel levert beelden uit heel Europa op: Amy in Londen, winter in Finland, het Spreepark en Jesse Owens in Berlijn en een zeereisje naar Berlenga. Maar de lezer krijgt geen reisgedichten voorgeschoteld. De achterflap rept van ‘onvermoede, verrassende en soms ook verontrustende werelden’ die schuil gaan onder Arns’ gedichten. Dat klopt. De bundel telt bijna veertig gedichten in veel verschillende versvormen. Er wordt met klank gespeeld, maar er is bijna nooit direct rijm. De gedichten zijn vertellend en de vertelster weet precies wat ze moet doen om de lezer te blijven boeien: rake observatie, veel suggestie en een mooie stijl. (En ook nog wat over Amy Winehouse geleerd.)
Prachtige bundel.

Jos Damen

Nominatie Herman de Coninckprijs 2019

De Camembertmethode is genomineerd voor de Herman de Coninckprijs 2019!

De andere genomineerden zijn:
Nachtboot van Maria Barnas
Zo kan het niet langer van Paul Bogaert
De klaverknoop van Paul Demets
Habitus van Radna Fabias.
Onder een koperen hemel van Stefan Hertmans

Op donderdag 21 maart 2019, Wereld Poëziedag 2019, worden de zes genomineerde bundels voorgesteld door hun schrijvers, tijdens een feestelijke poëzieavond in de Arenbergschouwburg in Antwerpen. Ester Naomi Perquin, de laureaat van 2018, reikt de prijs uit.

meer info 

het knerpen van naalden, als broze eierschalen

Len Borgdorff schrijft voor de site van literair magazine Liter wekelijks een tekst waarin een dichtregel geciteerd wordt.
In Poësis 145 laat hij zich inspireren door een regel uit mijn gedicht Onder bomen:

‘Nog voel ik
het knerpen van naalden, als broze eierschalen
van lang uit het nest gevlogen vogels.’

De hele tekst is hier te lezen.

En in Poësis 146 filosofeert hij over een regel uit het titelgedicht,
De camembertmethode:

‘Of vermoeden dat je camembert bent’

Deze tekst is hier te lezen.

 

Recensie in Awater

Recensie in Awater (1-2019) van Matthijs Ponte: “[…] dat beeld is kenmerkend voor de poëzie van Arns, die er in deze familieportretten, als elders ook met enige regelmaat, keer op keer in slaagt om uit het deprimerende alledaagse een pakkend en helder beeld te peuren. Weinig opsmuk, groot effect.”